Aan de Klachtencommissie van het Woningbedrijf Amsterdam
Postbus 519
1000 AM Amsterdam
Amsterdam, 9 december 2001
Geachte Klachtencommissie,
Op 11 september 2001 heb ik namens de bewoners/gebruikers van het pand
Jodenbreestraat 24 de heer Pouw een aangetekende brief gestuurd aangaande
de door het Woningbedrijf Amsterdam aangekondigde huurverhoging van
meer dan 900 % aan één van de bewoners/gebruikers van
het pand Jodenbreestraat 24, zijnde het Fort van Sjakoo. Helaas heb
ik op deze brief nog steeds geen antwoord ontvangen.
Op 3 oktober 2001 heb ik namens de bewoners/gebruikers van het pand
Jodenbreestraat 24 de heer Pouw een tweede brief gestuurd. In deze brief
schreef ik dat ik op mijn aangetekende brief van 11 september 2001 nog
geen antwoord had ontvangen. Verder gaf ik in deze brief uitleg over
de feitelijke situatie van wonen en gebruiken van het pand en gaf ik
aan dat deze feitelijke situatie niet overeenkomt met de afgesloten
huurcontracten. In deze feitelijke situatie is een deel van de begane
grond al sinds 1975 in gebruik door de bewoners van het pand Jodenbreestraat
24 als fietsenstalling. Ik heb gevraagd om een spoedig antwoord op de
aangetekende brief van 11 september 2001 en deze brief van 3 oktober
2001.
Op 9 oktober 2001 schreef Ir. P.D. de Jong, lid Raad van Bestuur, portefeuille
Vestigingen mij een brief (met als contactpersoon Mirjam Tolsma van
de afdeling directiesecretariaat) gericht aan meneer Willemsen, dat
mijn brief van 3 oktober 2001 door de manager van de vestiging binnenstad
verder afgehandeld zou worden en dat ik hierover binnen veertien dagen
bericht zou ontvangen. Dit antwoord ontving ik van de heer Eric van
Kaam middels zijn brief van op 23 oktober 2001. Dit antwoord was gericht
aan mevrouw, meneer Willemsen.
Dit antwoord van 23 oktober 2001 deed niet geheel recht aan de bestaande
situatie en wekte niet de indruk dat de brief van 11 september 2001
gelezen was, dus stuurde ik namens de bewoners/gebruikers van het pand
Jodenbreestraat 24 op 5 november 2001 een derde brief aan de heer Pouw,
met het verzoek een antwoord van hem te mogen ontvangen op de brief
van 11 september 2001 en tevens een volledig antwoord op de brief van
3 oktober 2001 met inachtneming van het geschrevene in de brief van
5 november 2001.
Op 14 november 2001 schreef Ir. A.V.M. Pouw, voorzitter Raad van Bestuur,
algemeen directeur mij een brief (met als contactpersoon Mirjam Tolsma
van de afdeling directiesecretariaat) gericht aan meneer Willemsen,
met het volgende:
'Uw brief van 5 november 2001 inzake de beantwoording van de aangetekende
brief van 11 september 2001, heb ik ontvangen. U vraagt daarin aan mij
om inhoudelijk op deze brief te reageren. Hierop kan ik u het volgende
meedelen. Door omstandigheden is de brief van 11 september jl. niet
bij mij terechtgekomen en heb daarom ook niet kunnen reageren. Daarvoor
bied ik mijn excuses aan. De verantwoordelijkheid van de beantwoording
van de brief ligt bij de vestiging omdat zij het pand in beheer hebben.
Uw brief heb ik doorgestuurd naar de heer van Kaam (vestigingsmanager
binnenstad) met het verzoek hem verder af te handelen. U ontvangt daarover
binnen veertien dagen bericht.'
Aangezien het mij uit deze brief niet duidelijk is waar mijn brief
van 11 september 2001 dan wel terecht is gekomen en aangezien ik wel
opmaak uit deze brief dat Eric van Kaam degene is die mijn brief zou
moeten beantwoorden heb ik geprobeerd om hem te bellen, zodat ik zou
kunnen vragen of hij de brief van 11 september 2001 inmiddels had ontvangen
en wanneer ik een antwoord zou kunnen verwachten.
Maandag 19 november 2001 sprak ik telefonisch met Petra Bos, de secretaresse
van Eric van Kaam die mij vertelde dat hij de hele dag in bespreking
was, maar dat zij e.e.a. aan hem zou doorgeven en dat hij mij terug
zou bellen. Dit is niet gebeurd. Dus belde ik woensdag 21 november 2001
nogmaals, dit keer sprak ik met zijn secretaresse, Deborah Fraenkel.
Zij zei dat zij contact op zou nemen met de afdeling die alle brieven
behandelt en dat ik donderdag teruggebeld zou worden. Dit is niet gebeurd.
Dinsdag 27 november 2001 deed ik een nieuwe poging. Ik kwam niet verder
dan de telefoniste van het Woningbedrijf, die mij vertelde dat mijn
naam bekend was op de afdeling, dat ook het probleem bekend was, dat
zij ermee bezig waren en dat ik dezelfde dag nog teruggebeld zou worden.
Dit is niet gebeurd. Dus belde ik woensdag 28 november nogmaals. Dit
keer sprak ik met Petra Bos, zij zou alles weer doorgeven aan Deborah
Fraenkel. Voor de zekerheid heb ik in overleg met Petra Bos op 28 november
2001 een kopie van mijn brief van 11 september 2001 per email naar Deborah
Fraenkel gestuurd, zodat Eric van Kaam deze brief alsnog zou kunnen
beantwoorden. Wel heb ik gemeld dat ik toch wel graag zou willen weten
waar mijn aangetekende brief aan de heer Pouw terecht was gekomen. Op
29 november 2001 ontving ik de volgende email:
'Beste Judith Willemsen,
Onze medewerker die uw brief zou beantwoorden is helaas vanaf maandag
26 november ziek. Hij is de enige die genoeg van de materie af weet
om uw brief te beantwoorden, dus wij willen toch wachten op zijn herstel.
Voor zover ik weet, ligt er al iets in concept klaar. Ik vraag u om
nog even geduld te hebben, het antwoord komt eraan.
Met vriendelijke groet, Deborah Fraenkel'
Het is mij niet geheel duidelijk om welke medewerker en om welke brief
het hier gaat.
Maandag 3 december 2001 heb ik geprobeerd om via Mirjam Tolsma, de
contactpersoon van het directiesecretariaat te achterhalen waar mijn
aangetekende brief van 11 september 2001 gebleven was en wanneer ik
antwoord zou krijgen op mijn brief van 5 november 2001. Dit antwoord
zou mij uiterlijk 28 november toch bereikt moeten hebben, als ik de
brief van 14 november 2001 van het Woningbedrijf mag geloven. Mirjam
Tolsma was niet aanwezig, ik heb wel gesproken met Pauline Mutschelknauss.
Zij kon mij niet helpen, maar verbond mij door met Petra Bos, die weer
een notitie zou maken voor Deborah Fraenkel. Ik heb verder niets meer
van het Woningbedrijf vernomen.
De eerste klacht betreft het feit dat het Woningbedrijf Amsterdam aan
één van de bewoners/gebruikers van het pand Jodenbreestraat
24, zijnde het Fort van Sjakoo een huurverhoging van meer dan 900 %
heeft aangekondigd.
De tweede klacht betreft het voorbijgaan aan de manier waarop dit pand
al 25 jaar bewoond en gebruikt wordt. De bewoners/gebruikers van het
pand Jodenbreestraat 24 hebben sinds 1975 gezamenlijk het pand opgeknapt
en acties ondernomen om het pand te behouden. Tevens hebben zij de begane
grond van dit pand sinds 1975 o.a. in gebruik als fietsenstalling. In
oktober 1977 hebben deze bewoners/gebruikers het Fort van Sjakoo toestemming
gegeven een deel van de begane grond in gebruik te nemen als boekwinkel.
Het gebruik en de verdeling van de ruimte binnen het pand Jodenbreestraat
24 is niet strak per etage geregeld, maar liep en loopt nog steeds trapsgewijs
door het pand heen. Het gebruik van de fietsenstalling op de begane
grond door de bewoners van 1,2,3, en 4 hoog is hier een voorbeeld van.
De huurcontracten zijn niet toegespitst op de werkelijke situatie. Het
Woningbedrijf kon en wilde om administratieve redenen niet afwijken
van standaard huurcontracten, dit wil zeggen afzonderlijke contracten
voor begane grond, 1, 2, en 3 hoog. Zoals het Woningbedrijf wel vermeldde
in één van de gesprekken met ons hoefde de praktijk niet
overeen te komen met wat er op papier staat. Wij konden dus de bestaande
situatie van wonen en gebruiken tot op heden voortzetten. Nieuwe bewoners/gebruikers
zijn in deze situatie niet los te zien van het geheel. Momenteel is
de fietsenstalling door de bewoners te bereiken via het Fort van Sjakoo.
De fietsenstalling hoort niet bij wat Het Fort van Sjakoo huurt. Mocht
het zover komen dat het Fort van Sjakoo de huur moet opzeggen omdat
de door het Woningbedrijf aangekondigde huurprijs niet opgebracht kan
worden, dan zal er met een eventueel volgende huurder wederom de afspraak
gemaakt moeten worden dat de bewoners hun fietsenstalling op de begane
grond kunnen blijven gebruiken. Eventueel dienen er door het Woningbedrijf
voorzieningen te worden aangebracht voor een blijvend toegankelijke
fietsenstalling, zoals in het verleden reeds ter sprake is gebracht.
Als gevolg van de huurverhoging en daardoor waarschijnlijk gedwongen
vertrek van een van de bewoners/gebruikers van het pand Jodenbreestraat
24 komt, zoals blijkt uit de brief van de heer Eric van Kaam van 23
oktober 2001 het gebruik van een deel van de begane grond door de bewoners/gebruikers
van het pand als fietsenstalling in gevaar.
De derde klacht betreft het feit dat de aangetekende brief van 11 september
kwijt is. Dit wordt uiteindelijk ook geconstateerd door de heer Pouw
in zijn brief van 9 oktober 2001, maar hij onderneemt niets om de brief
op te sporen, laat staan om de brief te beantwoorden. Is het gebruikelijk
bij het Woningbedrijf brieven te laten verdwijnen en/of niet te beantwoorden?
De vierde klacht betreft het feit dat de brief van 3 oktober 2001 gericht
aan de heer Pouw wordt beantwoord door Ir. P.D. de Jong. Is het gebruikelijk
binnen het Woningbedrijf om andermans brieven te beantwoorden?
De vijfde klacht betreft het gegeven dat ik als vrouw brieven ontvang
met de aanhef 'aan meneer Willemsen'. Denken bepaalde werknemers van
het Woningbedrijf dat alleen mannen brieven kunnen schrijven?
De zesde klacht betreft het onvolledig beantwoorden van de brief van
3 oktober 2001. Uit het onvolledig beantwoorden van mijn brieven blijkt
dat het Woningbedrijf totaal voorbijgaat aan de argumenten t.a.v. de
problematiek rond de aangekondigde huurverhoging voor het deel van de
begane grond dat door het Fort van Sjakoo gehuurd wordt en de gevolgen
die dat voor de bewoners en gebruikers van het hele pand Jodenbreestraat
24 kan hebben.
De zevende klacht betreft het gegeven dat ik bij mijn pogingen om de
aangetekende brief van 11 september 2001 boven water te krijgen van
het kastje naar de muur gestuurd wordt. In CascoPlus, jaargang 8 nummer
3 schrijft het Woningbedrijf in een artikel over een Klanttevredenheidsonderzoek
2001:
'De komende tijd gaat het Woningbedrijf nog meer aandacht besteden aan
de snelheid waarmee op een brief van een huurder wordt gereageerd. Dit
bleek u namelijk het meest te storen.'
Blijft deze aandacht beperkt tot het sturen van een brief dat men binnen
veertien dagen antwoord zal ontvangen of komt er dan ook ooit daadwerkelijk
een antwoord?
De achtste klacht betreft het feit dat ik nog steeds geen antwoord
heb ontvangen op mijn brief van 5 november 2001, ondanks de toezegging
van het Woningbedrijf dat de heer Eric van Kaam uiterlijk 28 november
2001 deze brief afgehandeld zou hebben.
Voor verdere informatie voeg ik de kopieën toe van de door mij
geschreven brieven en een kopie van het antwoord van 23 oktober 2001van
de heer Eric van Kaam.
Ik vraag u mijn klachten in behandeling te nemen en verwacht dat mijn
klachten verholpen worden. Ik hoop op een spoedig bericht.
Met vriendelijke groeten
J.M. Willemsen
Jodenbreestraat 24 II
1011 NK Amsterdam
|